DSM in de verbouwing: Wat verandert er?
Je kent DSM waarschijnlijk als dat dikke boek (of die digitale versie) waarmee hulpverleners diagnoses “vastleggen”. Niet omdat het zo’n gezellig leesboek is, maar omdat het in de praktijk vaak de toegangspoort is tot behandeling, vergoedingen en soms zelfs erkenning: oké, dit is wat er aan de hand is.
De DSM kraakt omdat het systeem steeds vaker botst met wat we inmiddels weten. Mensen passen lang niet altijd netjes in één hokje. Klachten lopen door elkaar. En neurodiversiteit (denk aan autisme, ADHD en AuDHD) laat precies zien waar het huidige model soms hapert: te veel ja/nee, te weinig profiel.
In een recent commentaar schetst een strategisch comité van de American Psychiatric Association een routekaart voor “de toekomst van DSM”. Hun boodschap: DSM moet tegelijk bruikbaar blijven voor de spreekkamer én beter aansluiten op wetenschap, context en echte levensuitkomsten. En ja: ze noemen DSM expliciet een “levend document” dat vaker kan worden bijgewerkt.
Wat betekent dat? En wat kan dit op termijn doen voor hoe er wordt gekeken naar autisme, ADHD en AuDHD?
Een woordenboek dat ineens een kompas wil worden
DSM was ooit vooral bedoeld als gezamenlijke taal. In 1980 kreeg het zijn moderne vorm (DSM-III): criteria, lijstjes, duidelijke afbakening. Handig voor betrouwbaarheid: als jij in Groningen “depressie” zegt en ik in Gent ook, dan bedoelen we ongeveer hetzelfde.
Maar die gezamenlijke taal heeft een bijwerking: het lijkt soms alsof de woorden in het boek “de natuur” beschrijven, alsof een diagnose een soort biologische soortnaam is. Terwijl DSM juist lang bewust “atheoretisch” bleef: het beschrijft vooral gedrag en klachten, en spreekt zich liever niet uit over oorzaken.
Het comité zegt nu: die neutrale houding helpt soms, maar remt ook. DSM moet meer kunnen meebewegen met nieuwe kennis over biologie, omgeving en hun wisselwerking, zonder te doen alsof we alles al zeker weten.
Waarom DSM zoveel kritiek krijgt (en waarom het toch overal gebruikt wordt)
De kritiek die je vaak hoort, komt neer op vier dingen:
- Te veel hokjes (categorieën): je hebt het wel of niet.
- Te veel overlap (comorbiditeit): mensen krijgen meerdere labels, soms bijna vanzelf.
- Te veel variatie binnen één label: twee mensen met dezelfde diagnose kunnen totaal verschillend zijn.
- Te weinig aansluiting op oorzaken en mechanismen: DSM zegt weinig over “waarom” en “wat werkt voor wie”.
Dus de uitdaging is niet: DSM weggooien. De uitdaging is: DSM slimmer maken, zodat het minder botst met de werkelijkheid.
Van ja/nee naar een schuifknop
Het comité legt veel nadruk op “dimensioneel” denken. Dat klinkt technisch, maar het is eigenlijk heel logisch: veel psychische kenmerken werken als een schuifknop, niet als een lichtschakelaar.
- Angst: van “rustig” via “gespannen” naar “verlammend”.
- Aandacht: van “afgeleid” via “wisselend” naar “structureel ontregeld”.
- Overprikkeling: van “druk” naar “ik kan nu echt niet meer”.
Comorbiditeit is de regel, niet de uitzondering
In de praktijk is “één ding” vaak een mythe. Mensen komen met een kluwen: slaap, stress, prikkelverwerking, piekeren, stemming, aandacht, trauma, lichamelijke klachten, middelengebruik.
Vooral bij neurodiversiteit zie je dit scherp:
- Autisme en ADHD komen vaak samen voor (AuDHD).
- Angst en depressie kunnen erbovenop komen.
- Dwang, eetproblemen of burn-outachtige klachten kunnen mee-ademen met stress en prikkels.
Biomarkers: de belofte en de teleurstelling
Veel mensen hopen op dé test: prikje, scan, klaar. Het comité is daar nuchter over. De meeste biomarkers zijn nog niet klaar voor klinisch gebruik.
Voor neurodiversiteit is dat extra relevant: er is veel onderzoek, maar geen simpele test. DSM moet dus ruimte bieden aan biologische kennis, zonder die meteen als harde toegangspoort te gebruiken.
Het Rett-syndroom als waarschuwing
Rett-syndroom verdween uit DSM toen de genetische basis duidelijk werd. In de VS leidde dat er soms toe dat verzekeraars psychiatrische zorg niet meer vergoedden.
De les: classificatiekeuzes hebben echte gevolgen. Dat is ook relevant voor autisme en toekomstige herindelingen.
DSM naast ICD, RDoC en HiTOP
DSM is niet het enige systeem. Andere kaders vullen andere rollen:
- ICD: wereldwijde medische classificatie.
- RDoC: onderzoeksraamwerk gericht op mechanismen.
- HiTOP: dimensioneel, hiërarchisch model.
Functioneren en kwaliteit van leven
Een diagnose zegt iets, maar vaak niet het belangrijkste. Wat telt is: wat lukt wel, wat niet, en wat kost het aan energie?
Voor veel mensen met autisme is dit de kern. Niet de checklist, maar leefbaarheid, context en herstel.
Context telt: armoede, stress, cultuur en omgeving
Klachten ontstaan niet in een vacuüm. Omgeving, stress en sociale factoren doen ertoe. Autisme in een passende omgeving ziet er anders uit dan autisme in een mismatch.
Een toekomstgerichte DSM wil die context beter meenemen.
Wie mag meebeslissen over wat ‘normaal’ is?
Het comité benadrukt dat lived experience ook expertise is. Mensen die leven met autisme weten vaak precies waar criteria wel of niet kloppen met de realiteit.
DSM als levend document
DSM moet vaker kleinere updates krijgen. Dat is handig, maar vraagt zorgvuldigheid, omdat zorgsystemen en beleid moeten kunnen meekomen.
AI en de digitale DSM
AI kan helpen, maar vergroot ook het risico op reïficatie: het behandelen van diagnoses alsof het vaste, onveranderlijke dingen zijn.
Een diagnose is een hulpmiddel, geen definitie van wie je bent. Profieldenken is een belangrijk tegenwicht.
Neurodiversiteit: wat merk jij ervan?
Op korte termijn waarschijnlijk weinig. Maar op langere termijn kan dit leiden tot:
- Minder strijd om het ‘juiste’ label.
- Meer aandacht voor schommelingen en subthreshold-problemen.
- Meer focus op functioneren.
- Meer aandacht voor context.
- Minder ‘diagnose als identiteit’, meer ‘diagnose als gereedschap’.
Ook hier is de DSM-discussie praktisch relevant, omdat classificatie invloed heeft op indicaties, vergoedingen en toegang tot zorg.
Tot slot
De toekomst van DSM draait niet om alles omgooien, maar om slimmer werken: minder hokjes, meer profielen, meer context en meer aandacht voor functioneren.
Voor neurodiversiteit is dat hoopvol. Niet omdat DSM alles ineens “snapt”, maar omdat het systeem langzaam opschuift richting wat veel mensen al jaren zeggen: ik ben geen checklist, ik ben een profiel.
Bronartikel: https://autsider.net/2026/01/30/dsm-in- ... j-daarvan/